Kiezen voor open source gaat over regie

Een softwarelicentie van €20 per maand lijkt een kleine beslissing. Tot je die beslissing vermenigvuldigt met 50 gebruikers, meerdere toepassingen en vijf jaar gebruik.
Dan ontstaat een andere vraag:
Wie bepaalt eigenlijk hoe jouw technologie zich de komende jaren ontwikkelt?
Dat is voor mij de interessantste vraag bij open source.
Open source wordt vaak besproken vanuit kosten. Geen licentiekost. Geen abonnement per gebruiker. Geen verplichte upgrade. Dat kan inderdaad een financieel voordeel zijn.
Maar voor een onderneming is het strategische voordeel vaak groter.
Met open source krijg je in veel gevallen meer vrijheid om te bepalen waar software draait, wie ze beheert, welke partner je inschakelt en wanneer je migreert.
De Europese Commissie benoemt die aspecten inmiddels ook expliciet. In haar in juni 2026 gepubliceerde Open Source Strategy koppelt ze open source aan technologische soevereiniteit, meer controle en minder afhankelijkheid van leveranciers.
Proprietary software geeft gemak, maar creëert afhankelijkheden
Proprietary software heeft duidelijke voordelen.
Je koopt een product van een leverancier. Die leverancier ontwikkelt de software, publiceert updates en biedt vaak ondersteuning. Voor veel bedrijven is dat een verstandige keuze.
Het probleem ontstaat wanneer een product zo diep in de bedrijfsvoering verweven raakt dat overstappen praktisch onmogelijk wordt.
Denk bijvoorbeeld aan:
- data die alleen in een specifiek formaat beschikbaar is
- integraties met andere producten van dezelfde leverancier
- aangepaste workflows
- medewerkers die volledig rond één platform werken
- contractuele verplichtingen
- software die alleen met bepaalde versies werkt
- hoge migratiekosten
Op dat moment betaal je niet alleen voor de software.
Je betaalt ook voor de afhankelijkheid.
Dat hoeft geen probleem te zijn. Een bedrijf kan bewust kiezen voor die afhankelijkheid omdat de functionaliteit, ondersteuning of integratie belangrijker is.
De vraag die ik daarbij stel is:
Is die afhankelijkheid een bewuste bedrijfskeuze?
Open source verandert de machtsverhouding
Bij open source wordt de broncode onder voorwaarden beschikbaar gesteld die gebruik, wijziging en verspreiding toestaan. De precieze rechten hangen af van de gebruikte licentie.
Dat betekent niet dat een onderneming zelf alle software moet gaan ontwikkelen.
Dat is een veelgemaakte misvatting.
Een bedrijf kan bijvoorbeeld Linux gebruiken en daarvoor commerciële ondersteuning inkopen. Het kan Proxmox VE inzetten voor virtualisatie en daarvoor een gespecialiseerde partner gebruiken. In beide gevallen blijft de technologie gebaseerd op open source, terwijl de onderneming voor implementatie, beheer en ondersteuning een externe partij kan inschakelen.
Dat model past goed bij mijn visie op infrastructuur.
Een Infrastructure Architect moet niet alleen kijken naar wat technisch mogelijk is. Hij moet ook bekijken hoeveel controle een onderneming op lange termijn over haar technologie houdt.
Open source betekent niet automatisch goedkoper
Hier zou ik voorzichtig zijn met de klassieke boodschap dat open source “gratis” is.
Software kan vrij beschikbaar zijn. De infrastructuur eromheen kost geld.
Je hebt mogelijk kosten voor:
- implementatie
- configuratie
- onderhoud
- monitoring
- security
- opleiding
- support
- back-up
- hardware
- migraties
- gespecialiseerde kennis
Een Linux-server zonder licentiekost kan uiteindelijk duurder zijn dan een commerciële oplossing wanneer niemand binnen de organisatie weet hoe die server beheerd moet worden.
Omgekeerd kan een open source-oplossing financieel interessant worden wanneer de organisatie over de juiste kennis beschikt of die kennis efficiënt kan inkopen.
Daarom kijk ik liever naar Total Cost of Ownership dan naar de prijs van een licentie.
Dat sluit aan bij een bredere architectuurbenadering: technologie moet de bedrijfsstrategie ondersteunen en beschikbare middelen efficiënt inzetten.
Het echte voordeel: keuzevrijheid
Stel dat je vandaag een proprietary platform gebruikt.
Je leverancier verhoogt volgend jaar de prijs.
Je hebt drie mogelijkheden:
Je betaalt.
Je migreert.
Of je accepteert de nieuwe voorwaarden.
Bij open source kan het speelveld anders zijn.
Je kunt zelf blijven beheren. Je kunt een andere partner zoeken. Je kunt de software op andere infrastructuur installeren. Je kunt een andere dienstverlener kiezen die dezelfde technologie ondersteunt.
Die vrijheid heeft economische waarde.
De Europese Commissie noemt precies deze aspecten in haar huidige opensourcestrategie: minder lock-in, meer controle over data en meer keuze voor gebruikers, waaronder KMO’s en start-ups.
Dat betekent overigens niet dat open source automatisch vendor lock-in elimineert.
Je kunt perfect afhankelijk worden van één gespecialiseerde open source-partner.
Ook bij open source moet je daarom kijken naar documentatie, kennisoverdracht, standaarden, dataformaten en de mogelijkheid om een andere partij in te schakelen.
Kijk naar wat er gebeurt wanneer je partner morgen verdwijnt
Dit is één van mijn favoriete vragen bij technologiekeuzes.
Wat gebeurt er als onze huidige leverancier morgen niet meer beschikbaar is?
Niet omdat dat noodzakelijk zal gebeuren.
Omdat je als bedrijf moet weten wat je opties zijn.
Bij een goed ontworpen infrastructuur kun je aantonen:
Waar de data staat.
Hoe de data geëxporteerd kan worden.
Welke standaarden worden gebruikt.
Welke componenten afhankelijk zijn van elkaar.
Wie de omgeving kan beheren.
Welke alternatieven beschikbaar zijn.
Dat is technologie met een exitstrategie.
En die exitstrategie is onderdeel van architectuur.
Open source past goed bij infrastructuur
Ik zie de grootste strategische waarde van open source vooral bij infrastructuurcomponenten.
Linux is daar een duidelijk voorbeeld van. In mijn eigen ervaringen heb ik Linux gebruikt als alternatief voor commerciële besturingssystemen, onder andere omdat het efficiënt met beschikbare hardware kan omgaan en een breed ecosysteem heeft.
Ook virtualisatie is een domein waar open source een interessante plaats heeft.
Proxmox VE is daar een voorbeeld van. Het kan een onderdeel worden van een infrastructuurstrategie waarin een onderneming meer controle wil houden over de virtualisatielaag.
Dat betekent niet dat Proxmox voor iedere onderneming de juiste keuze is.
Dat is precies het punt.
Open source moet een architectuurkeuze zijn, geen ideologische keuze.
Een goede vergelijking begint bij de bedrijfsbehoefte
Wanneer ik proprietary en open source oplossingen vergelijk, kijk ik daarom naar andere criteria dan alleen de aankoopprijs.
| Vraag | Proprietary oplossing | Open source oplossing |
|---|---|---|
| Licenties | Vaak terugkerende kosten | Vaak geen licentiekost, afhankelijk van product en licentie |
| Support | Vaak rechtstreeks via leverancier | Via community, gespecialiseerde partners of leverancier |
| Vendor lock-in | Kan sterk zijn | Kan lager zijn, maar blijft mogelijk |
| Controle | Afhankelijk van product en leverancier | Vaak meer mogelijkheden voor eigen beheer |
| Implementatie | Vaak duidelijk afgebakend | Kan meer technische kennis vragen |
| Data-portabiliteit | Afhankelijk van leverancier en formaat | Afhankelijk van standaarden en implementatie |
| Kennis | Vaak breed beschikbaar binnen commerciële ecosystemen | Kan specialistischer zijn |
| TCO | Licentie, support en infrastructuur | Beheer, support, kennis en infrastructuur |
Geen enkele kolom bepaalt op zichzelf welke oplossing geschikt is.
De beslissing moet beginnen bij de bedrijfsbehoefte.
Hoe kritisch is de toepassing?
Hoeveel kennis is intern beschikbaar?
Hoe belangrijk is keuzevrijheid?
Hoe lang moet de oplossing meegaan?
Hoe eenvoudig moet een andere leverancier kunnen overnemen?
Welke data moet beschikbaar blijven?
Wat gebeurt er wanneer de leverancier zijn prijsmodel verandert?
Dat zijn architectuurvragen.
Open source geeft je een grotere onderhandelingspositie
Er is nog een voordeel dat minder vaak wordt besproken.
Keuzevrijheid heeft ook invloed op onderhandelingen.
Wanneer je weet dat je technisch kunt overstappen, verandert de relatie met een leverancier.
Je hoeft niet te dreigen met een migratie. Het feit dat een migratie mogelijk is, kan al voldoende zijn.
Dat geldt ook voor dienstverleners.
Een onderneming die haar infrastructuur goed documenteert en gebruikmaakt van open standaarden kan makkelijker een tweede partij inschakelen.
Dat maakt documentatie en kennisoverdracht onderdeel van de technologiekeuze.
Ik zie dat als een belangrijk onderdeel van professioneel infrastructuurbeheer.
Open source vraagt wel volwassen IT-beslissingen
Meer vrijheid betekent ook meer verantwoordelijkheid.
Wanneer je voor een proprietary SaaS-platform kiest, neemt de leverancier een groot deel van de technische verantwoordelijkheid over.
Bij een open source-oplossing moet je die verantwoordelijkheid zelf organiseren.
Wie volgt securitymeldingen op?
Wie test updates?
Wie maakt back-ups?
Wie beheert certificaten?
Wie controleert afhankelijkheden?
Wie zorgt voor continuïteit wanneer een beheerder vertrekt?
Open source werkt daarom het best wanneer de organisatie haar IT als een bedrijfsmiddel behandelt en duidelijke keuzes maakt over beheer en verantwoordelijkheid.
De technologie zelf lost dat niet op.
Mijn uitgangspunt
Ik kies niet voor open source omdat het gratis is.
Ik kijk naar open source wanneer het een bedrijf meer keuzevrijheid, controle en een betere lange termijn architectuur kan geven.
Soms is proprietary software dan de juiste keuze.
Soms is open source dat.
En soms is een combinatie van beide de meest verstandige architectuur.
Voor mij begint de beslissing daarom met één vraag:
Welke controle willen we als onderneming over onze technologie behouden?
Daarna komen kosten.
Want een IT-beslissing gaat uiteindelijk niet alleen over wat software vandaag kost.
Ze gaat ook over wat je onderneming morgen nog zelf kan beslissen.

Ik ben een Systems Integrator en Infrastructure Architect met meer dan 28 jaar professionele ervaring. Mijn mening is mijn eigen mening en de visie van Peritus Consult, niet de mening van mijn werkgever Lab9 Pro.